De boodschap die kinderen van deze tijd
ons brengen
(vert. Jan van Loon)
Een interview met de therapeut Henning Köhler
Door Thomas Stöckli
Om zeven uur ’s morgens kom ik in
Wolfschlugen aan, waar ik ben uitgenodigd voor een uitgebreid ontbijt
met de Heer en Mevrouw Köhler in verband met een gesprek over
praktische pedagogie en een ‘Goetheanum interview’. Zo zaten we
daar bij de koffie in een nog wat donkere werkruimte van de
‘Heilpädagogisch-Therapeutischen Ambulanz im
Janusz-Korczak-Institut’. Maar het begon snel licht te worden
terwijl we in een geanimeerd gesprek verwikkeld waren. Het was ook
bijzonder, dat mevrouw Dorothee Köhler met belangrijke bijdragen aan
het gesprek deelnam. De tijd was natuurlijk veel te kort. Ik moest
het huis hals over kop verlaten, om de laatste aansluiting van de
trein nog te halen. Daarom zetten we in de auto en op het station het
interview voort, zodat we ons gesprek nog enigszins konden afronden.
Toen ik eindelijk – nogal vermoeid – in de trein zat, kreeg het
thema volledig onverwacht nog een voortzetting die op mij een zeer
grote indruk maakte: een gesprek met een jeugdige ‘dropout’ van
de Vrije School. – Maar laten we bij het begin beginnen, ’s
morgens bij de koffie.
Zich openstellen voor genezende relatievormen
Wat gebeurt er in uw instituut en welke doelstellingen streeft
u na?
Naast het therapeutische en adviserende
aanbod hebben we nog een heel scala aan vervolgopleidingen
(congressen, seminars, cursussen) over de thema’s pedagogie,
heilpedagogie, biografiearbeid, psychologie, beeldende kunst en
kunsttherapie, cursussen voor ouderen en huwelijkspartners . De
nadruk ligt op het kinder- en jeugdwerk. Van het begin af aan hebben
we eraan gewerkt een alternatief te formuleren en in praktijk
brengen voor de belangrijkste bestaande therapieën op dit gebied. De
wetenschap over het jonge kind speelt daarbij een sleutelrol. Zij
speelt sowieso een sleutelrol in de geestesstrijd van deze tijd.
Er staat ontzettend veel op het spel.
Zodra de ‘moeilijke kinderen’ het onderwerp van gesprek worden,
gaat men zonder schroom de mechanistische toer op – dat geldt ook
gedeeltelijk voor de vrije scholen. De probleemstelling wordt
onmiddellijk ingekaderd en beperkt zich tot nut en functionaliteit.
Men wil zich met de probleemstelling ervan afmaken door de diagnose
onmiddellijk in de richting van een organische hersenafwijking te
sturen, om daarna van alles te verzinnen om de kinderen weer het
etiket ‘normaal’ op te kunnen plakken. Het afglijden naar het
gebied van het machinale denken voltrekt zich geheel onwillekeurig.
De betreffende pedagogen hebben niet het gevoel dat ze hun
humanistische of spirituele uitgangspunten ontrouw zijn, wanneer zij
een of andere moderne hypothese klakkeloos overnemen zoals
bijvoorbeeld: bij onaangepaste kinderen zou in de hersenen ‘de
Dopamine-overdracht tussen de synapsen te gering zijn.
Gebruik ik de uitdrukking ‘een kind
dat psychische begeleiding en ondersteuning nodig heeft’ of moet
ik bij eerlijke reflectie zeggen: ‘een storend element dat
gerepareerd moet worden’? Hier zit de duivel dikwijls in het
detail. Daarom moet er menskundige detailarbeid verricht worden, om
de specifieke valkuilen voor het denken te achterhalen en
onschadelijk te maken die de ’meester van de magie der
functionaliteit’ (voor insiders Ahriman) overal graaft. Dat is
niet gemakkelijk. We kennen zeer goed het gevaar om in concrete
therapeutische situaties, waar onze vakkundigheid op het spel staat,
de lat voor wat haalbaar is een stuk lager te leggen en duidelijk te
laten voelen dat jij degene bent die weet hoe het kind zich heeft te
gedragen, in plaats van de moeizame weg te gaan die ook mogelijk is:
zich openstellen voor een genezende relatievorm. De onderlinge
relatie is de kern waar alles om draait. Het gebied van het
innerlijk. Waar het om gaat is dat men zich vertrouwd maakt met het
lot van de ander en allerlei aanmatigende diagnostische constructies
en vage maatregelen verre van zich houdt. Om dit ideaal niet alleen
maar te proclameren, maar ook steeds beter in praktijk te kunnen
brengen moeten concrete oefentrajecten op zielengebied, het
waarnemen en in het denken, afgelegd worden. Daarbij kan men elkaar
wederzijds helpen.
Vooral het onzalige begrip ‘normaal’
verhindert dat we een inzicht krijgen in het wezenlijke. Therapie mag
toch niet betekenen dat we mensen weer geschikt maken om in een
ziekelijke maatschappij te laten functioneren. James Hillman heeft
eens gezegd, dat iedere therapieruimte een samenzweringsplaats, een
zaadje voor een revolutie zou moeten zijn. Hij bedoelt natuurlijk de
geestelijke revolutie. Men kan niet zo maar simpelweg zeggen dat in
de psychotherapeutische praktijken en de psychologische spreekkamers
van deze wereld alleen mensen komen die niet functioneren. De mensen
die hier hulp zoeken beschikken dikwijls over buitengewone spirituele
en sociale capaciteiten, die voor hen eerder een vloek dan een zegen
zijn. Op zijn minst gezegd zijn het mensen met diepe eerlijke
intenties voor wie het leven alles wat voor hen heilig is dreigt
kapot te maken. Men zou wat overtrokken kunnen zeggen: als
psychotherapeuten hebben we het voorrecht dienstbaar te mogen zijn
aan een
verborgen elite. Dit geldt vooral ook, in bijzonder
hoge mate, voor de zogenaamde gedragsgestoorde kinderen.
Bezoekers uit een andere wereld – de wereld van
de toekomst
Kunt u een concreet individueel geval noemen waaruit dit
blijkt.
Er melden zich bijvoorbeeld ouders met
een kind dat zich opmerkelijk gedraagt, dat op school moeilijkheden
veroorzaakt, zich voortdurend als een malloot gedraagt, niet wil
leren enz. De opdracht aan ons luidt dan: Zoek eens uit wat de
oorzaak van deze stoornis is, en zorg er dan voor dat het kind weer
normaal wordt, zich aanpast, gehoorzaamt, en weer gaat presteren.
Het eerste wat we doen is onmiddellijk
duidelijk maken, dat er met deze ingang niets bij ons te halen valt.
Wij zijn geen reparatiewerkplaats voor kinderen en werken niet met
standaardtests. Door voldoende de tijd nemen om de levensgeschiedenis
van het kind precies na te vragen, het in het ongedwongen spel te
leren kennen, voor zover mogelijk met de peuterleidster of de
klassenleraar te spreken, ontdekken we gegarandeerd meer dan met
welke test ook. Verder gaan we bij het onderzoek niet uit van
voorgebakken oordelen. Wij zeggen: wanneer het kind
aanpassingsproblemen heeft, weten wij in eerste instantie alleen: het
heeft aanpassingsproblemen. Of daaruit de conclusie kan worden
getrokken dat het hier om een gedragsstoornis gaat weten wij nog lang
niet. Misschien heeft de kleine dwarsligger heel goede gronden voor
zijn gedrag.
Wat wil het eigenlijk zeggen
‘stoornis’? Op een of andere manier komen de behoeften en de
aanleg van het kind in aanvaring met de omgeving waarin het is
geplaatst, met de eisen waaraan het zou moeten voldoen. Iets gaat
daar niet samen. En dat komt steeds meer voor. Waarom? In plaats van
onmiddellijk van een afwijking te spreken, moet men rekening houden
met het tijdsfenomeen, dat inhoudt dat er grote verschillen in de
stijl van waarneming, leren en communicatie bij het kind aanwezig
zijn. Vele begaafdheidsprofielen die we tegenwoordig tegen komen
begrijpen we eenvoudigweg nog niet. Zij komen ons verdacht voor.
Daarom worden we intolerant. Het is dezelfde reactie als die zich
voordoet bij vreemdelingenhaat.
Om te begrijpen wat zich tegenwoordig
in de vroege jeugd afspeelt zouden de psychotherapeuten er bij hun
diagnose goed aan doen samen te werken met de
bewustzijnsonderzoekers. Steeds meer kinderen vertoeven onder ons als
vreemdelingen, als bezoekers uit een andere wereld. En wanneer we de
verschijnselen voor zichzelf laat spreken, dringt al heel snel tot
ons door: Deze andere wereld is de
toekomst.
Ik heb geleerd, dat zogenaamde
gedragsstoornissen altijd een boodschap bevatten. Veelvuldig luidt
deze boodschap vrij vertaald: “mijn ‘stijl’ van communiceren
(leren is communiceren!) met de wereld en de mensen is een heel
andere dan die, die jullie van mij verwachten. Wij spreken
verschillende talen. Jullie willen mij dingen opdringen die mij tot
in het diepst van mijn innerlijk vreemd zijn. Jullie zien niet wat ik
in mij heb, wat ik te bieden heb. Dat frustreert mij iedere dag
opnieuw”. Zo zouden vele zogenaamde probleemkinderen spreken,
wanneer ze konden zeggen wat hen kwelt.
Betekent dat, dat u deze dingen op dezelfde manier ziet als in het
boek over de ‘indigokinderen’ wordt uitgewerkt? Daar wordt
bijvoorbeeld gezegd, dat men in plaats van hyperactieve kinderen
ritalin voor te schrijven en ze daarmee kalm te krijgen hun
bijzondere boodschap zou moeten leren begrijpen en dienovereenkomstig
met hen omgaan.
Ja, met de basisgedachte, zoals die
daar verwoord wordt ben ik het eens, ook al worden daar sommige
dingen nogal oppervlakkig en, volgens mij, onfenomenologisch
beschreven. Ik schrijf en spreek immers nu al jarenlang op een zo
gedifferentieerd mogelijke manier over deze verschijnselen, maar kon
wonderlijk genoeg in antroposofische kringen niet het
bewustzijnseffect bewerkstelligen dat dit boek nu plotseling wel
teweegbrengt. Kinderen met nieuwe en bijzondere vermogens stromen nu
letterlijk de wereld binnen. Velen ondergaan het noodlot dat men hen
als moeilijke gevallen beschouwt, afzondert en plaagt met allerlei
therapieën.
Ik doorkruis het hele land, om de
aandacht te vestigen op dit feit, dat voor mij in 1995/96 door
verschillende ervaringen van een vermoeden tot zekerheid werd. Ik
gebruik meestal de uitdrukking ‘begaafdheidsprofielen die niet in
overeenstemming met de geest van deze tijd zijn’ – ‘niet in
overeenstemming met de geest van deze tijd’ omdat de tijd nog niet
rijp is om te in te zien waarom het hier gaat. De kinderen waarom het
gaat, komen daadwerkelijk op aarde met een ‘afwijkende’ samenhang
van de wezensdelen. Maar deze afwijkingen zijn als zodanig zeker niet
pathologisch, maar kondigen een bewustzijnsverandering aan. Een
binnendringende toekomst botst op verstarde maatschappelijke en
institutionele structuren. Deze structuren zijn manifestaties van een
geesteshouding van waaruit geen begrip ontwikkeld kan worden voor
datgene wat deze kinderen meebrengen. De conflicten die hieruit
voortkomen worden in snel tempo steeds heviger.
Het besluit tot incarnatie:
Voor een menswaardige toekomst
Kunt u vanuit uw eigen ervaringen en waarnemingen als therapeut
iets gedetailleerder de ‘nieuwe kinderen’ beschrijven? U hebt
immers voor u zelf de begrippen daarbij gevonden.
Daar werk ik nog steeds aan. De
differentiaalfenomenologie van ongewone begaafdheidsprofielen is een
complex thema dat in de toekomst nog verder moet worden uitgewerkt.
Mij gaat het inderdaad vooral om de fenomenologische redelijkheid. We
moeten ervoor waken, dat wij de bijzondere kinderen niets iets
toedichten, maar echt goed toekijken en beschrijven wat we waarnemen.
Bovendien zou men zeker ook altijd de fenomenen moeten
duiden
en in de context van een ‘groot verhaal’ te plaatsen, dus in een
overkoepelende samenhang van ideeën
Het ‘verhaal’ waarvan ik geloof dat
het ons verder kan helpen, was in zijn oorspronkelijke trekken ook
bij Novalis al bekend. Hiervan getuigt zijn uitspraak: ‘Wij zijn op
een zending om de aarde op te bouwen.’ Ieder van ons heeft het
toneel van het wereldgebeuren betreden, om zijn bijdrage te leveren
voor het welslagen van de ‘sociale sculptuur’ (Beuys), dat wil
zeggen om aan de verwezenlijking van een menswaardige toekomst mee te
werken. Dat is in wezen het besluit tot incarnatie. En vanuit zo’n
uitgangspunt kan men pas de omvang inschatten van de tragiek die zich
voordoet, wanneer een mens zo van zichzelf vervreemd is, dat zijn
creatieve oerimpuls omslaat in vernietigingsdrang. In ieder kind
kondigt zich een individuele ‘leidende wil’ (Goethe) aan, een
‘primaire motivatie’ (Viktor E. Frankl), die van niets anders kan
worden afgeleid dan van zichzelf. Deze
biografische
richtingsimpuls, die als een rode draad door ons lot loopt,
heeft echter ook – een het is zeer belangrijk om daar op te letten
– bovenindividuele aspecten: hij zit verweven in een
‘generatieproject’.
Het is altijd al zo geweest, dat de
opgroeiende generaties bepaalde genezende impulsen in het
wereldgebeuren wilden aandragen en daarbij door onzichtbare draden
met elkaar in verbinding stonden, terwijl gelijktijdig tegenkrachten
optraden om alles in de afgrond te trekken. Een spannend thema voor
het geschiedkundige onderzoek over de jeugd. Nu lijkt het, en men
hoeft geen cultuurpessimist te zijn om je hart vast te houden voor
wat er in de toekomst staat te gebeuren, alsof de kinderen met
bijzonder veel voornemens op de wereld zijn gekomen. Zij willen een
enorme bewustzijnssprong op gang brengen en schuwen daarvoor geen
enkel risico. Anders dan in de 60er en 70er jaren, toen de jeugd vaak
rebelleerde tegen de gevestigde orde, is er nu een
‘graswortelrevolutie’ aan de gang. De nieuwe kinderen zijn overal
aanwezig. (Bioscoopfilms zoals ‘Generatie X’ thematiseren dit op
een vrij oppervlakkige sensatiebeluste manier.)
Ik wil dus van dit ‘levensscript’,
waarover bijvoorbeeld de transactionele analyse spreekt, de
oerkeuze,
dat het denken van Jean Paul Sartre bepaalde, beweren dat het a)
niet in de vroege jeugd is aangeleerd, zoals altijd wordt beweerd,
maar als een grof ontwerp meegebracht; b) in de kern van de zaak niet
egoïstisch is, maar met zeer grote verantwoordelijkheid op de
tijdssituatie betrokken; c) weliswaar individueel is, maar
gelijktijdig binnen de betreffende generatie aan afspraken gebonden.
Vanuit deze achtergrond kan men nu de
vraag stellen: Welke menselijke kwaliteiten worden nu in bijzondere
mate bedreigd, waardoor, - wanneer ons betoog waar zou zijn – het
voor de kinderen die nu onder ons zijn en in die de nabije toekomst
nog geboren worden van zeer groot belang moet zijn om juist deze
kwaliteiten te redden? Hebben zogenaamde deviante kinderen in
werkelijkheid bijzondere krachten, die samenhangen met de
tekortkomingen van onze beschaving? Of anders gezegd: Zou het waar
kunnen zijn, dat wij in een tijd leven, waarin wij juist datgene wat
in de toekomst het dringendst noodzakelijk is, zich doet kennen als
zwakte en falen?
Troostende en koesterende zielen
Kunt u concrete voorbeelden noemen?
Ja, nu komen we toe aan de fenomenen.
Ik heb kort geleden nog iets daarover gezegd in mijn boek ‘Was
haben wir falsch gemacht’ (vert. Wat hebben we verkeerd gedaan). In
iedere schoolklas vinden we tegenwoordig enige zeer gevoelige,
schrikachtige, buitengewoon tedere, ‘dunhuidige’ kinderen,
meestal meisjes, waarover men zich zorgen maakt omdat zij
buitengewoon kwetsbaar overkomen. Ik heb het nu even niet over wat in
medische zin opvalt. Typische gedragskenmerken zijn: drempelvrees
(iedere verandering van de situatie is voor hen een crime),
faalangsten, angst bij het inslapen. Vanwege hun bovenmatige behoefte
aan omhullende veiligheid worden zij vaak beschouwd als
gezinstirannen. Dat kan oplopen tot een regelrechte controlewaan.
Zijn hechten een uitgesproken hoge waarde aan stemmige rituelen,
hebben zeer veel behoefte aan harmonie, gaan het liefst nooit zonder
hun ouders ergens naar toe en zijn voortdurend bang dat er iets
vreselijks gebeurt. Wanneer men zorgvuldiger kijkt ziet men wel, dat
hun angst niet zichzelf betreft, maar dat het om de anderen gaat. Al
hun bezorgdheid is gericht op het welbevinden van vader, moeder, de
broers en zusjes en alle mensen die haar dierbaar zijn. Ook dieren
worden in deze overbezorgdheid betrokken en zelfs planten. Het is
typerend voor zo’n kind dat het bittere tranen huilt bij de aanblik
van een dood muisje en zeer bedroefd wordt bij het zien van een
verwelkende bloem. Al op zeer jonge leeftijd – men moet zeggen:
veel te jong, nog voor dat het beschermende omhulsel van het ego zich
echt heeft kunnen ontwikkelen – is het belangrijkste wezenskenmerk
van deze kinderen een diepe kracht tot medelijden, een uitgesproken
verantwoordelijkheidsgevoel voor anderen, ja voor alles wat leeft.
Zij hebben een diep religieuze stemming – geheel onafhankelijk van
de religieuze opvattingen van hun ouders – en doen het liefst
spelletjes die iets te maken hebben met verzorging of verpleging. Hun
met overgevoeligheid waarnemende wezen strekt hen zeker niet altijd
tot voordeel. Zij ‘doorvoelen’ (doorzien zou een verkeerde
uitdrukking zijn) elk gedrag dat niet echt is. Een leraar kan nog
zo’n vriendelijke stem opzetten, nog zo vlot optreden – wanneer
zijn innerlijk is vervuld van verbittering of verdriet, dan weet dit
kind dat met het hart.. en is ongelukkig omdat het niet kan helpen. –
Dat zijn de
troostende of koesterende zielen. Wanneer men het
wezenlijke eruit destilleert komt men tot dergelijke formuleringen.
Zulke ‘Samaritaanse mensen’ zijn er altijd wel geweest, zeker.
Maar nu zijn er zo veel van dit soort kinderen onder ons – en er
komen er steeds meer – dat we van een tijdsverschijnsel moeten
spreken. Ik hoef er niet lang bij stil te staan, dat we hier met een
kwaliteit te maken hebben, die in onze beschaving zeldzaam geworden
is en toch even noodzakelijk is al water in een verdord gebied. –
Wanneer zo’n wezenlijke eigenschap dreigt om te slaan naar het
pathologische, naar een angstverschijnsel dat therapeutische
behandeling vereist, dan is dit het gevolg van een pijnlijke
wanverhouding tussen de zielenwarmte van deze kinderen en de koude
mentaliteit van deze tijd. Zij bevriezen in hun diepste innerlijk.
Men slaat therapeutisch en opvoedkundig de plank volledig mis,
wanneer ons handelen niet door
dit inzicht wordt geleid.
Scouts, verkennende of zoekende zielen
En hoe staat het met de hyperactieve kinderen, die vooral in het
boek over de ‘indigokinderen’ ter sprake worden gebracht?
Daarover ben ik net een boek aan het
schrijven. De negatieve symptomen zijn algemeen bekend, die hoef ik
hier niet op te sommen. Maar wat is er aan de hand met de sterke
kinderen onder hen? Zij worden gekenmerkt door een zeer sterke
dadendrang. Een
creatieve dadendrang, let wel. Zij barsten van
de energie, maar ik wijs erop dat het hier niet eenvoudig om een
ondoorzichtig overschot aan energie gaat (we moeten proberen boven
dit soort stoomketelvoorstellingen te staan), maar het is evident,
hoe de in het incarnatieproces werkende warmte-bewegings-impuls met
ongewoon sterke kracht doorslaat, alsof het lijkt alsof deze kinderen
als grondstemming voor het leven het volgende willen zeggen: ‘Ik
heb maar weinig tijd en ik heb nog zo waanzinnig veel te doen!’
Hier hebben we te maken met een bovenmatige inzet van ik-krachten, en
wel van hogere ik-krachten. Dit zogenaamde hyperactieve syndroom is
eigenlijk zuivere levensbesvestiging, zuivere scheppingsdrang:
doorschietend verlangen om
het goede te doen. Natuurlijk roept
dit een aantal moeilijkheden op. Maar we hebben hier toch te maken
met een bijzonder vermogen, die men moet erkennen, waarderen en
bevorderen (in plaats van om zeep te helpen).
De bandeloze dadendrang is immers maar
een kant van de medaille. Daar komt nog bij dat deze zogenaamde
hyperkinetische kinderen een uitgesproken behoefte hebben aan
communicatie. Zij zijn de ‘archetypes van de communicatie’ –
spontaan, vindingrijk, en mededeelzaam, vrijgevig, met grondhouding
die jegens iedereen vriendschappelijk is. Zij doen niets liever dan
anderen iets geven. Dat komt in de vakliteratuur nauwelijks ter
sprake. Hun interesse voor de wereld is grenzeloos. Zij zijn de
avonturiers van het leven – en wie van zichzelf hetzelfde kan
beweren zal goed met hen overweg kunnen. Ook al is het zo, dat hun
bereidheid om risico’s te nemen soms adembenemend is.
Als uitgesproken kinderen van deze tijd
is het voor hen volledig onbegrijpelijk, waarom iemand er bezwaar
tegen heeft, dat zij zich met bijzondere voorliefde wenden tot alles
wat zich als actualiteit voordoet. Zij voelen zich niet alleen sterk
aangetrokken tot computers, maar ontwikkelen ook zeer snel een grote
vaardigheid in het gebruik ervan. Hyperactieve kinderen zijn kleine
anarchisten en dat wordt hen kwalijk genomen. Met enige overdrijving
zou je kunnen zeggen dat zij al geboren worden met de puberale eis
tot vrijheid en we schrikken soms van hun bereidheid om risico’s te
nemen. Wie deze kinderen wil opvoeden moet deze sterke behoefte aan
vrijheid als fundamentele eigenschap met sympathie tegemoet treden.
Anders kun je het wel schudden.
Eigenlijk vinden we bij hyperactieve
kinderen alle attributen van ‘de mens van de toekomst’, zoals die
dikwijls wordt gepropageerd: zeer flexibel, veelzijdig, bruisend van
ideeën, communicatief, technisch begaafd, ondernemend en bereid om
risico’s te nemen. Toch zijn zij niet geliefd, want naast deze
eigenschappen manifesteren zij zich ook als onaangepast en wild, een
aangeboren antiautoritaire basishouding in combinatie met een sterk
gevoel voor rechtvaardigheid. En dat is niet wenselijk in een wereld,
die meer geneigd is het ‘nieuwe conformistische eenheidstype’
(Horst-Eberhard Richter) van de hippe, gestileerde jaknikkers en
meelopers te waarderen. Dus zegt men maar: Deze kleine
herrieschoppers mankeren iets aan hun hersenen. De inhoud van hun
hersenpan is beschadigd.
Ook is het zo dat deze kinderen een
rudimentaire helderziendheid meebrengen. Wie goed oplet ontdekt dat
zij telepathische vermogens hebben. Ja, zij hebben weet van de inhoud
van gesprekken waar ze niet aan hebben deelgenomen en soms geven ze
antwoord op vragen die je hun juist wilde gaan stellen.
Waarschijnlijk kunnen zij de lichaamstaal – mimiek, gebaren, de
uitdrukking van gelaat en ogen – van andere mensen te ‘lezen’.
Maar als ik mij niet vergis hebben zij ook uiterst fijngevoelige
‘atmosferische’ waarnemingsvermogens, in samenhang met een
verhoogd gedachtezintuig, dat niet meer persé is aangewezen op
overdracht via de gesproken taal.
Ik noem hen
scouts, verkennende of
ook zoekende zielen. Dat is omdat ik meen begrepen te hebben dat
het uitgesproken leidersfiguren zijn, die helemaal in hun element
zijn wanneer zij voorop kunnen lopen om onbekende gebieden te
verkennen – voor anderen!
Dat is een beeld. Ziet u, onze tijd
heeft dringend nieuwe impulsen nodig. Wij leven in een angstcultuur.
De troostende zielen treden aan, om zich met de angst uiteen te
zetten en die als het ware van binnen uit om te vormen. Maar wij
hebben ook persoonlijkheden nodig, die, in plaats van met alle
anderen in de pas mee te lopen, door willen breken naar onbekende
geestelijke gebieden, en wel zo, dat zij daarbij geleid worden door
de diepe behoefte andere mensen te laten deelnemen aan datgene wat
zij aan het verkennen zijn. De zoekende zielen hebben daarvoor het
gereedschap.
Een karakteristiek voorbeeld
Manuel is zes jaar oud en moet al snel
naar de eerste klas (groep 3); maar er zijn in de kleuterklas enkele
problemen; niet alleen omdat hij een wildeman is, vol dadendrang en
overlopend van ideeën, maar ook omdat hij de laatste tijd agressief
wordt, met bakstenen naar andere kinderen gooit en de kleuterlerares
een schop geeft wanneer hem iets niet bevalt.
De leraren die de schoolrijpheidstest
met hem doen hebben gehoord hoe het met zijn sociale gedrag gesteld
is. En zij ondervinden het nu aan den lijve: Manuel gedraagt zich bij
de kennismaking niet zoals het hoort. In plaats van een
schilderopdracht te doen krabbelt hij alleen maar het blad vol en
tegen een lerares zegt hij ‘jij ben een trut!’ Bij een gesprek
dat daarna plaatsvindt worden de ouders verzocht hem te laten testen,
omdat de jongen waarschijnlijk hyperactief is. Zij komen bij ons
terecht. Wij testen niet, maar houden ons enige weken met het kind
bezig. Dan doen wij het voorstel om Manuel nog een jaar op de
kleuterschool te houden. Intussen nemen we hem in therapie, adviseren
regelmatig de ouders en hebben ook af en toe gesprekken met de
kleuterlerares. Tot ons grote genoegen zijn alle betrokkenen het met
deze oplossing eens. Een jaar later kan Manuel zonder problemen naar
de eerste klas.
Wat is er gebeurd? Tijdens lange
gesprekken met de ouders lukte het ons alle angst weg te nemen voor
het feit dat hun jongen ‘gestoord’ zou zijn. Het bleek dat vooral
bij de moeder tijdens de zwangerschap deze angst al ontstaan was. In
plaats van ongecompliceerd en meegaand en direct met Manuel om te
gaan, werd de relatie tot hem voortdurend beheerst – ondanks alle
liefde die ze voor hem koesterden – door schuldgevoelens en angst.
De hele relatie bestond louter nog uit ‘tactische spelletjes’.
Bovendien hadden de ouders voortdurend ruzie vanwege het kind. Nu
leerden zij, met onze hulp, elkaar wederzijds vriendschappelijk te
ondersteunen in hun pogingen het kind steeds beter te leren begrijpen
en vooral zijn bijzondere en bewonderenswaardige eigenschappen meer
waar te nemen. Spoedig kwamen we tot het inzicht, dat gevoelige
kinderen de mening die men over hen heeft onwillekeurig
terugspiegelen.
Wij spraken veel over zogenaamde
moeilijke kinderen en het voorrecht dat ouders hebben, die door zo’n
kind worden uitgekozen (!). Ook sloten we een verbond, waarin we
afspraken dat we ons nooit de mening zouden laten opdringen dat er
met Manuel iets ‘niet in orde’ was. Gelukkig werkte ook de
kleuterlerares heel goed mee en werd ook deelgenoot van het verbond.
Geleidelijk ontstond er uit de gemeenschappelijke inspanningen een
steeds helderder en levendiger wezensbeeld van het kind, en alle
betrokkenen bevestigden al gauw, dat zij een steeds beter
‘Fingerspitzengefühl’ ontwikkelden hoe zij met Manuel moesten
omgaan. En wat minstens even belangrijk was: we slaagden erin onze
angst en schuldgevoelens te overwinnen en de verwijtende houding naar
elkaar toe af te bouwen. Deze zuivering van het klimaat, in
combinatie met de veranderde manier van kijken, was al de halve
therapie. Misschien wel meer. Een aanvullende bijdrage vormde een uur
speltherapie (conflictbeheersing door rollenspel) en verder nog een
uur schildertherapie per week. Ik moet hier nogmaals bij benadrukken
dat wij onder therapie geen ‘behandeling van een pathologie’
verstaan, maar een ‘zorgzame begeleiding’ waarbij ook de sociale
omgeving aan bot komt.
Manuel kwam dolgraag. De ouders kregen
praktische aanmoedigingen om thuis als co-therapeuten een bijdrage te
leveren (eenvoudige toepassingen en oefeningen voor basale
zintuigontwikkeling; algemene richtlijnen om de ‘levenshygiëne’
te verbeteren). Manuel is nog steeds een wilde ondernemende jongen.
Maar hij is niet meer agressief. Op school doet hij het erg goed,
terwijl hij toch dikwijls minder geconcentreerd is, maar dat
compenseert hij door een zeer enthousiaste en fantasierijke bijdrage
die – en daarmee prijzen wij onszelf ook gelukkig – de meeste
leraren erg imponeert, waardoor zij ook milder gestemd zijn tegenover
het feit dat de kleine donderstraal nog steeds allerlei streken
uithaalt.
Manuel was, toen wij hem voor de eerste
keer ontmoetten, volgens de huidige diagnostische criteria een
standaardvoorbeeld van een ‘ADS-kind’ – een van die gevallen
aan wie elders vermoedelijk ritalin zou worden voorgeschreven.
Henning Köhler
Dichterszielen of reizigers in het
sprookjesland en bewakers of beschermers van de werkelijkheid
Zijn er nog andere’ typen’ kinderen die u hier vanuit uw
ervaring kunt karakteriseren?
Ja, men kan nog twee andere
toekomstgerichte kindertypen leren kennen. Ten eerste de
dichterszielen of reizigers in het sprookjesland; zij worden
vaak gediagnosticeerd als pathologisch introvert, extreem
droomachtig, contactschuw, ongeconcentreerd. Voor hen heeft men de
leuke diagnose <ADS (attention deficit syndrom) zonder
hyperactiviteit> ook wel hypoactiviteit genoemd – Hun
beeldvormend vermogen is imponerend. Bij hen komt een ongelooflijke
imaginatieve kracht tevoorschijn, wanneer men hen beter leert
kennen. Wanneer men hen in de goede stemming brengt scheppen zij
wonderbaarlijke stemmige sprookjesbeelden, beschikken over een
onuitputtelijke voorraad verhalen. Hun kapitaal bestaat uit hun
fantasie. Al op zeer jeugdige leeftijd houden zij zich innerlijk
bezig met diepzinnige vragen, denken na over de dood, over
mislukkingen in het leven, de oneindigheid enz. Wanneer je het met
hen hebt over elementenwezens, zoals kabouter, feeën, en elfen dan
heb je onmiddellijk al hun aandacht. Deze reizigers in het
sprookjesland hebben dikwijls onzichtbare metgezellen, met wie zij
heel vanzelfsprekende omgang hebben. Zij zijn uitgesproken
deskundigen op zielengebied, echt waar! Het lijken wel
gepredestineerde psychologen. Het genie van de poëzie gaat in onze
tijd verloren en ziedaar! De dichterszielen komen binnenstromen.
Dan is er verder nog de groep van de
bewakers en beschermers van de werkelijkheid, zoals ik ze noem. Dat
zijn kinderen met een zeer hoge intelligentie, maar die desondanks op
school mislukken . Alleen wanneer het leerproces helemaal op het
praktische leven gericht is, zijn zij in staat hun geestelijke
kwaliteiten tot ontplooiing te brengen. Zo’n kind kan naaimachines
repareren, weet hoe hij met automotoren moet omgaan, heeft in een
oogwenk het timmermanshandwerk onder de knie, begrijpt moeiteloos
gebruiksaanwijzingen voor knutselwerk of gebruiksapparaten…, maar
hij krijgt het niet voor elkaar de vermenigvuldigingstafels onder de
knie te krijgen!
Nu wordt door cultuurcritici terecht
geklaagd dat we ‘losgeslagen zijn van het werkelijkheidsbesef’.
Paul Virilio zegt dat ‘het verstoken zijn van een gevoel voor
zintuiglijke waarneming’ een massaverschijnsel is geworden. De
intelligentie die zich van de primaire levenswerkelijkheid
abstraheert en de daaruit voortvloeiende resultaten overheersen
tegenwoordig alles. Men ziet dus, dat deze bewakers van de
werkelijkheid een intentie de wereld binnendragen, die ons zeer ten
goede zou komen – en dat niet alleen maar op de scholen –
wanneer we die ter harte namen.
Een echte werkplaatssfeer scheppen
In het boek ‘Indigokinderen’ worden de Vrije
Scholen samen met de Montessorischolen beschouwd als de enige scholen
waarin kinderen met bijzondere kwaliteiten en de daarbij horende
gedragsverschijnselen op een pedagogisch verantwoorde manier begeleid
worden. Hoe ziet u de schoolvorm die aan de huidige eisen tegemoet
kan komen?
Waar moet ik beginnen? Enige
fundamentele eisen zijn immers niet nieuw: een sterkere gerichtheid
op de praktijk, een grote nadruk op kunstzinnigheid, interactieve
leervormen. Natuurlijk heeft de Vrije School veel van dit alles
verwezenlijkt. Maar daarmee wil ik zeker niet zeggen dat men daar
ontspannen achterover mag leunen. Want er valt nog veel te
verbeteren. Laten we de kunst nemen. Is de Vrije School werkelijk uit
grond van het hart van kunst doortrokken? Men zou ook daar nog veel
meer de sfeer van een werkplaats, een atelier moeten scheppen. Het is
nog maar een begin (en eigenlijk niets nieuws), wanneer dertig of
veertig leerlingen in keurige rijen stil zitten te schilderen. Het
hele arsenaal van scheppende mogelijkheden moet volledig aangewend
worden, inclusief de moderne kunst. Van de gevestigde moderne kunst
zou je toch minstens kunnen zeggen dat het intussen een stukje
cultuurhistorie is geworden dat je niet zomaar buiten de deur kan
houden, en dat geldt ook voor de kunst om iets te installeren, iets
voor te dragen enzovoort. Ook mediakunst is tegenwoordig een thema
waar we ons mee bezig moeten houden.
Dorothee Scheck-Köhler breng
tussenbeide: De zuivere esthetica is niet meer aan de orde, dat
geldt toch tenminste voor de bovenbouw. Zoals Rudolf Steiner ook al
gezegd heeft gaat het tegenwoordig in de kunst er ook om zich uiteen
te zetten met de lelijkheid, de duisternis, het falen. De leerlingen
moeten en kunnen door kunstzinnige processen dingen leren die voor
het leven belangrijk zijn en wel dat men bij het beleven van
mislukkingen en oog in oog met zijn eigen tekortkomingen niet het
geloof aan zichzelf hoeft te verliezen. Wanneer men gefixeerd is op
de doelstelling dat er altijd iets ‘moois’ iets decoratiefs moet
ontstaan als eindproduct zorgt dat dikwijls voor frustraties en ook
voor verveling. De eis van de huidige tijd luidt: De moed hebben zich
met zijn tekortkomingen, met het provisorisch ontstane, uiteen te
zetten, om daaruit scheppende krachten te laten ontstaan! Dikwijls is
het totaal contraproductief, wanneer het resultaat aan het begin van
het proces al wordt vastgelegd.
Henning Köhler vervolgt: Ja,
het gaat erom zich volledig in het proces te gooien. Deze ervaring is
altijd belangrijk in een tijd, waarin het normaal is dat de
biografie uit kant en klare geprefabriceerde onderdelen opgebouwd
wordt. Werk dat altijd alleen maar gericht is op resultaat staat los
van iedere vorm van kunstzinnigheid. Bij de kinderen de angst
wegnemen dat zij struikelen; hen de ervaring te geven dat alleen hij
iets bereikt, die ook de mogelijkheid van mislukking incalculeert, ja
zelfs uitdaagt – dat is de grote kans in de kunst. Je kunt
eigenlijk niet meer van een nederlaag spreken, wanneer die het
uitgangspunt vormt voor iets nieuws. Bij het kunstzinnige proces gaat
het allereerst om de ervaring van het actieve aangrijpen van
vrijheidsgebieden. Natuurlijk moeten de leerlingen ook kunstzinnige
technieken onder de knie krijgen. Maar zij hebben bovenal een
ateliersfeer nodig, waar ook een zekere chaos geaccepteerd wordt;
waar men vrij mag rondlopen, met elkaar praten en alle mogelijke
dingen uitproberen.
Dorothee Scheck-Köhler: Er
ontstaat dan een heel nieuwe verhouding tussen leraar en leerling.
Daaruit kan een nieuwe menselijke band ontstaan, een
vertrouwensvollere relatie, die niet op succes en prestaties is
gebaseerd. De ruimtes van een vrije ontmoeting via de kunst zijn ook
altijd emotioneel beladen ruimtes, maar dan in positieve zin. Er
kunnen dan periodes voorkomen van radeloosheid en vertwijfeling, maar
daarna ook weer plotselinge doorbraken en gelukservaringen. De
pedagoog kan deze persoonlijkheidsopbouwende processen begeleiden en
speelt hierbij ook een heel andere rol dan in het conventionele
onderwijs.
Henning Köhler: Dan is het
natuurlijk wel nodig om de klassen te verkleinen of in groepen op te
delen en dat is dikwijls problematisch vanwege het gebrek aan
medewerkers.
Dorothee Scheck-Köhler: Wanneer
ik alleen maar kijk naar het potentieel aan eventuele medewerkers
hier in de omgeving van Stuttgart, dan komen we gemakkelijk op 200
kunstenaressen en kunstenaars, die bereid zouden zijn om blokken
kunstzinnig onderwijs te geven en met de scholieren nieuwe vormen van
samenwerking uit te proberen. Ik zou me ook kunnen voorstellen daar
zelf aan mee te werken.
Henning Köhler: De belemmering
zit hem niet alleen maar in de onbeweeglijkheid van de mens, maar ook
in de structurele dwangbuizen waarin de scholen zich bevinden.
Misschien gaat dat in Zwitserland gemakkelijker?
Mijn ervaring is, dat het er eenvoudigweg om gaat gewoon ergens te
beginnen met kleine concrete stappen in plaats van grootschalige
modellen en oneindige discussies. Dat is op iedere school mogelijk.
Dit heeft ook met de kunst van het
sociale te maken. Zolang het systeem van frontaal lesgeven volgens
star voorgeschreven plannen en regels niet wordt doorbroken, blijft
de koningin der kunsten buitengesloten. De conventionele
onderwijsstijl verhindert de oefening in het sociale. En bovendien
vraag ik mij af waarom niet iedere school zich profileert als een
oefenplaats voor sociale projecten en zichzelf ook in dit opzicht als
een sociale kunstwerkplaats beschouwt.
Overal vinden we mensen die hulp nodig
hebben: oude mensen, hulpbehoevende mensen, zieke mensen in andere
landen maar ook dichter bij de deur. Men moet de kinderen en jongeren
niet onderschatten! Daarvoor hebben zij een zeer grote interesse!
Juist ook zij die schijnbaar ongeïnteresseerd zijn worden direct
klaarwakker, wanneer men met voorstellen komt zoals: Er is een
straatarme school in Roemenië. Wat zouden wij voor hen kunnen doen?
Heeft dat ook iets te maken met ‘op het
praktische gericht zijn’?
Het op de praktijk gericht zijn en het
kunstzinnige – in de betekenis van sociale kunst – ontmoeten
elkaar hier. Maar het thema van de praktische gerichtheid heeft vele
facetten. Daarbij horen ontmoetingen met de natuur – het zich weer
verbinden met de goddelijke schepping: dat is voor kinderen een diepe
religieuze (!) behoefte. Hier moeten nieuwe ervaringspedagogische,
natuurpedagogische vormen ontwikkeld respectievelijk opgestart
worden. Kernwoorden: Ontmoetingen met bomen – een rechtstreekse,
van het zintuiglijke uitgaande boomkunde zou een vast lesbestanddeel
moeten zijn; het aanleggen van kruidentuinen volgens oude
kloosterregels, thees en zalven samenstellen; oude kunsten zoals het
aardewerkbranden op grote vuren weer in ere herstellen enz. Voor het
bevorderen van de praktische vaardigheden bestaan er geen algemene
regels. Iedere school heeft zijn eigen beperkingen en mogelijkheden.
Maar creativiteit is daarvoor onontbeerlijk.
Komt men daarbij ook tegemoet aan datgene wat
‘de bewakers van de werkelijkheid’ nodig hebben?
Ja zeker. Ik zou nog een stap verder
willen gaan. Deze kinderen zouden vertrouwd gemaakt moeten worden met
de echte procesmatige vervaardiging en productie van dingen en
daarbij voor kleine onderdelen ervan de verantwoordelijkheid krijgen.
Daar kan men al heel vroeg mee beginnen. Zoiets doen ze erg graag.
Zij zijn daarbij heel ijverig en leergierig, terwijl het gewone
onderwijs verschrikkelijk vervelend voor hen is.
Voorboden van een bewustzijnsverandering
Laten we nog eens terugkomen op het aspect van de nieuwe
begaafdheidsprofielen, vooral op de spirituele begaafdheden van de
kinderen waarover u sprak en die ook in het boek over
‘indigokinderen’ genoemd worden. Hoe zie je dat vanuit de
antroposofie?
De bijzondere kinderen zijn voorboden
van een bewustzijnsverandering. Door hen dringt de toekomstige
‘geestzelfcultuur’ als ‘verlichte bewustzijnsziel’ in dit
intellectuele tijdperk binnen en sticht daar een grote hoeveelheid
verwarring. Alle pedagogische inspanningen lopen op niets uit,
wanneer wij ons als volwassenen niet inspannen, deze dimensie te
begrijpen en ons te scholen om hier mee om te gaan. Op dit moment ben
ik bezig hiervoor geschikte opleidingsmogelijkheden te ontwikkelen.
Er bestaan al twee beroepsbegeleidende cursussen, in Keulen voor de
kleuterbegeleiding, in Wolfschlugen voor vakmensen uit de
pedagogische, therapeutische en sociaal begeleidende beroepen, die
een vervolgopleiding tot pedagogisch adviseur (opvoedingsmentor)
willen volgen. De toeloop is ontzettend groot. George Kühlewind zal
mij met zijn grote ervaring op het gebied van de waarnemingsscholing
ondersteunen.
Wij moeten vooral afleren om voortijdig
te oordelen en in plaats daarvan door ons over te geven aan de
fenomenen een werkelijk voelend begrijpen of begrijpend voelen
ontwikkelen, een nieuw pedagogisch denken en waarnemen om daardoor
moedig tegenstand te bieden tegen de magie van de functionaliteit.
Niet alleen binnen het bereik van het begripsmatige moet een
revolutie op gang gebracht worden! Ook antroposofisch klinkende
begripshulsels kunnen de blik versperren voor het wezenlijke. Om ons
in het unieke wezen van een ongewoon kind begrijpend in te leven
hebben we een gezuiverde vraagcultuur nodig… en van onze kant uit
een nieuwe stijl van waarnemen en communiceren.
De ‘sterrenkinderen’ zoals
Kühlewind ze noemt – de beschrijving van hun wezen heeft vooral
betrekking op de scouts, de zoekende zielen – ‘hebben weet van’
de werking van Christus in het etherische. Zij leven met de indruk
van een Christusontmoeting, die in een direct aangrenzend
voorgeboortelijk gebied plaatsvindt – in de ‘sfeer van de
doelstellingen’- (Steiner), waar het levenspanorama voor het
komende leven oplicht en de oerkeuze gemaakt wordt. Men kan zich dit
uit de tijd getilde ogenblik van de Christusnabijheid als een diepe
en duurzaam bewegende warmtegebeurtenis voorstellen. Nog geheel van
deze gebeurtenis doordrongen komen deze zielen op de wereld, waar het
geestelijke en sociale leven onder de anhrimanische ijskorst tot
verstarring gekomen is. Hier ontstaat een enorm spanningsveld, dat de
neiging heeft tot traumatische proporties uit te groeien. Dat moeten
wij begrijpen. Alleen al het begrijpen betekent troost en genezing.
Wanneer deze nieuwe kinderen behandeld worden als zouden zij een
hersenfunctiebeschadiging hebben en met miljoenen tegelijk met
medicijnen zoals ritalin ‘genormaliseerd’ worden groeit dit uit
tot een catastrofe voor onze wereld. Zijn we daarentegen bereid deze
kinderen op de juiste wijze te ontvangen en te begeleiden en ter
wille van hen ons bewustzijn te veranderen, dan kan een fundamentele
verandering ten goede beginnen waarbij de beweging van de 60er jaren
van de vorig eeuw slechts een onbeholpen voorloper was.
Dit interview had Thomas Stöckli op 7 februari 2001 in
Wolfschugen bij Stuttgart.
Ontmoeting met een drop-out van de Vrije School
- een klein nagesprek
Toevallig en geheel onverwacht
ontmoette ik bij mijn thuisreis naar Stuttgart – na het intensieve
gesprek met Henning Köhler en zijn vrouw – een jongen van 18, dit
in de trein tegenover mij zat. Op een of andere manier raakte ik met
Matthias – zo heette de jongen met zijn wilde rasta haardos – in
gesprek en was niet weinig verbaasd toen hij mij plotseling begon te
vertellen over zijn 10-jarige carrière op de Vrije School en hoe hij
midden in het tiende schooljaar de Vrije School had verlaten. Hier
volgt een gedeelte van ons gesprek.
Wat beviel je eigenlijk niet meer op de Vrije
School?
Nou ja, wanneer een lerares veel
huiswerk opgeeft voor na het weekend en dat motiveert door te zeggen
dat we daarmee tenminste van de straat waren en geen domme streken
uit zouden halen – wat moet je daar nou mee? Ik moet toch zelf mijn
weg kunnen vinden. Op school was er geen enkele leraar te vinden die
zich werkelijk interesseerde voor wat ik interessant vind,
bijvoorbeeld de graffitikunst of de Hip-Hop-muziek. Alles wat ze daar
deden moest in het imago van de Vrije School passen; op een of andere
manier was dat voor mij allemaal te bekrompen en te stijf.
Maar jullie hebben toch kunstzinnige lessen gehad. Heb je daar dan
helemaal niets positiefs aan kunnen beleven?
Ach ja, natuurlijk waren er ook
positieve dingen, bijvoorbeeld dat we portretten leerden tekenen vond
ik prachtig. Maar op een of andere manier kreeg ik altijd weer het
gevoel alsof die lui daar het negatieve in de wereld wilden
uitwissen, ja helemaal niet wilde zien, omdat zij zich te diep hadden
begraven in hun eigen wereldje. Het is namelijk een heel moeilijke
opgave de wereld gewoon te zien zoals hij is, weet u!
Dat denk ik ook! Wanneer jij nou daar op die Vrije School
directeur zou zijn, wat zou jij dan veranderen?
Ik zou aan de leerlingen veel
flexibeler opdrachten geven en daarbij echt op hun individuele
behoeften ingaan. Ik vind veel zaken immers ook interessant en denk
dat Steiner, ook al weet ik niet veel over hem, een geniale kerel was
die veel interessante dingen heeft ontwikkeld. Maar tegenwoordig zijn
de mensen eenvoudig te veel aan schema’s gebonden. Ik vind het
prima, zo’n totaal andere manier van naar de wereld te kijken,
zoals Steiner die in de wereld heeft gebracht, maar die moet zich dan
toch verder ontwikkelen, met iedere mens weer opnieuw. En als dat zo
is, dan kan men de huidige jeugdcultuur toch niet zomaar eenvoudig
afwijzen, en dat alleen maar omdat hij niet bevalt. Alleen maar tegen
zijn brengt niemand een stap verder.
Maar toch: De kunst moet ook het schone koesteren, moet ervoor
zorgen dat de mens innerlijk op een of andere manier boven zichzelf
uitstijgt..
Daar heb je wel gelijk in, maar alleen
wanneer je daarbij ook datgene wat negatief is in de wereld vol in je
bewustzijn hebt…
Henning Köhler, geboren 21 mei 1951,
Karlsruhe. Gymnasium, niet afgemaakt. 1973 een heilpadagogisch
practicum in ‘Haus Sonne’ , Wahlsheim. 1974-76 medewerker aan het
internationale cultuurcentrum Achberg; Redacteur van het tijdschrift
‘Jederman’. Betrokken bij de anti-atoombeweging . 1978/79
hulpverpleger in de kliniek Öschelbronn. 1979/82 Camphill Seminar
voor heilpedagogiek, Brachenreuthe aan de Bodensee. 1982/83 Rudolf
–Steiner-Seminar voor heilpedagogiek in Bad Boll; actief betrokken
bij de vredesbeweging. 1983-86: Heilpedagogie op de kinderafdeling
van de Filderkliniek bij Stuttgart; intensieve onderzoekingen op het
gebied van de anorexia nervosa onder pubers. Oprichting van de
‘Heilpädagogisch-Therapeutischen Ambulanz’ en in 1987 oprichting
van het ‘Janusz-korczak-instituut’ in Wolfschlugen bei Stuttgart.
Getrouwd sinds 1980, twee kinderen. Talrijke bijdragen in
tijdschriften, heeft vele lezingen gehouden.
De volgende boeken van Henning Köhler
zijn verschenen (2 ervan in nederlandse vertaling):
‘Jugend im Zwiespalt. Eine
Psychologie der Pubertät für Eltern und Erzieher’(1990)
‘Die stille Sehnsucht nach Heimkehr.
Zum menschenkundlichen Verständnis der Pubertätsmagersucht’.
(1995, 2
e editie)
‘Vom Rätsel der Angst. Wo die Angst
begründet liegt und wie wir mit ihr umgehen können.’ (2000
3
e editie)
‘Von ängstlichen, traurigen und
unruhigen Kindern’(1997, 4
e editie) (Over angstige
verdrietige en onrustige kinderen. Uitgeverij Vrij Geestesleven)
‘Swierige Kinder gibt es nicht.
Plädoyer für eine Umwandlung des pädagogischen Denkens’ (1999 4
e
editie) (Moeilijke kinderen bestaan niet; Uitgeverij Vrij
Geestesleven)
‘Vom Ursprung der Sehnsucht. Die
Heilkraft von Kreativität und Zärtlichkeit’ (1998)
‘Der Geschichtenkönig und das
Sternenkind’ (kinderboek)
‘Vom Wunder des Kindseins’ (2000)
‘Was haben wir falsch gemacht?
Kindernöte, Elternsorgen und die verflixten Schuldgefühle’
(2000).
-
-
-
terug naar inhoudsopgave